Opa

Deze column las ik vanochtend voor op Radio Omroep Venray in de rubriek Even Stilstaan.

Hij stond te wachten bij de bushalte, mijn rijzige, grijze opa met de wandelstok en de hoed. Ik was een dik half uur eerder in Vught op de trein gestapt en liep nu over het stationsplein in Eindhoven. Alleen. Dat was bijzonder, maar ook: Niets aan de hand, ik kende er de weg.Mijn opa lachte breed toen hij mij zag. Blij mij te zien. Zo jongen, daar ben je dan. Hij zei het op de toon van iemand die heeft staan wachten, al een paar keer een blik op de grote klok op de gevel van het prachtige, nog bijna nieuwe station had geworpen en nu opgelucht het eerste deel van zijn missie succesvol kon afsluiten. Kleinzoon in goede gezondheid gearriveerd, het kartonnen kinderkoffertje in de rechterhand, gereed voor de volgende etappe. Onder de hoede van opa. Kijk jongen, de bus staat al klaar, speciaal voor jou en mij. Hij knipoogde en wees naar de bus van de EMA, wat stond voor – dat wist ik dan toch maar – Eerste Meierijse Autobedrijf. Die zou ons via Aalst en Waalre naar Valkenswaard brengen.

Het was voor het eerst, dat ik alleen op stap was, met de trein. Altijd als we naar oma en opa gingen, was dat – tot nu – samen met mijn ouders. En mijn zusjes. Misschien had ik de overstap van trein naar bus – ik was per slot van rekening al tien jaar – ook nog wel alleen tot een goed einde kunnen brengen, maar opa stond ook bij de bushalte op het stationsplein in Eindhoven te wachten als we met het hele gezin kwamen. Hij was dan samen met oma. Waren ze er ook weer even uit. Ze woonden helemaal achteraan in Valkenswaard waar de schaarse bebouwing overging in het weidse boerenland dat zich tot in België uitstrekte en waar nooit iets gebeurde. Normaal gesproken barstte bij de begroeting – na intens geknuffel met ons, kinderen – het volwassen deel van het gezelschap meteen los in het uitwisselen van het laatste nieuws. Er was gespreksstof genoeg want de hoorn van de telefoon werd slechts spaarzaam van de haak genomen. We mochten al blij zijn dat wij en opa en oma er een hadden. Gebruik was voor speciale gelegenheden. 

Wij kinderen hingen er daarna maar zo’n beetje bij. Als we eenmaal met z’n allen met de bus op weg waren naar Valkenswaard moest je het als kind verder vooral met naar buiten kijken doen. Ik vond dat niet erg. En nu zat ik naast opa op de achterbank van de bus die net begonnen was aan zijn vertrouwde route. Het was stil in de bus. Opa en ik waren de enigen die bij het station waren ingestapt. Opa zat met de rug recht en zijn wandelstok tussen zijn knieën en daarop zijn handen. Zijn hoed had hij in het bagagenet gelegd. Ik voelde dat hij zo nu en dan een snelle blik opzij wierp. We reden de stad uit en de Eindhovenseweg af, naar Aalst. Ik keek als gewoonlijk naar buiten. Ik wist niet beter, zo was dat in deze bus. En het was goed, zo, met opa op de achterbank. Niets aan de hand. En toen begon opa te praten.

Weet je jongen, als je dood bent, word je begraven maar je kunt je tegenwoordig ook laten cremeren. Dat is nog niet zo lang, maar toch.Ik keek naar opa en vroeg me af waar dit nou vandaan kwam. Ja, we waren net langs de kerk in Aalst gekomen. En zei je kerk, dan zei je in 1957 ook kerkhof. Maar ik wist even niet of dat hier in Aalst ook zo was. Cremeren is dat je lichaam verbrand wordt. Er blijft dan alleen wat as over. Je oma en ik hebben bij het nieuwe crematorium in Dieren informatie opgevraagd. Ik had geen idee hoe te reageren. Ik kon alleen maar luisteren. En nu hebben we dus besloten ons niet te laten begraven maar te laten cremeren. Intussen draaide maar één woord rondjes in mijn hoofd: waarom en dat was eruit voor ik het wist: Waarom, opa? We keken naar elkaar. Ik verwonderd. Hij ernstig. Nou, jongen, dat zal ik je zeggen. Oma en ik vinden dat beter omdat het mooi opruimt. Je neemt geen ruimte meer in, je as wordt uitgestrooid en zo word je na je dood nóg meer deel van de natuur. Ik geloofde hem. Ik geloofde opa altijd wel, eigenlijk. Tegelijk vroeg ik me af waarom hij me dat vertelde. Gingen hij en oma binnenkort dood? Maar ik durfde dat niet goed te vragen. En, misschien nog wel belangrijker, ik wist toen nog niet dat je juist met dat soort vragen een goed gesprek op gang brengt, zo’n gesprek waarvan je je pas achteraf realiseert dat je een kans gemist hebt. Als je het niet voert. En dat je daar later spijt van hebt. Daarna vertelde opa nog dat oma en hij er nu ook achter waren hoe gezond het is om rauwe groenten te eten, met het oog op een lang leven. Ik kon alleen nog maar luisteren. Gezond eten voor een lang leven, bezig zijn met cremeren, met doodgaan, het was wat veel ineens.

Nu denk ik dat ópa dacht: Die jongen hier naast mij op de achterbank van deze bus, die jongen die helemaal alleen met de trein uit Vught naar Eindhoven is gekomen, die jongen is oud en wijs genoeg om er een serieus gesprek mee te voeren. Over dingen die er echt toe doen. Opdat hij iets heeft om zijn hersens op te breken. En, denk ik, het was de eerste keer dat ik voelde dat een volwassene dacht dat dit kind van al tien jaar ook een serieuze gesprekspartner kon zijn.