Eendje

donderdag 12 februari 2009

Het badeendje lag al een tijdje te dobberen tussen de schuimvlokken. Als badeendjes zichzelf al vragen stellen dan in elk geval zelden de vraag naar hun raison d’être. Wat dat betreft zijn badeendjes net mensen. Het badeendje tussen de schuimvlokken stelde zich die vraag wel. Niet dat je het aan hem kon zien. Hij hield zijn diepste gevoelens altijd verborgen achter een masker van weergaloos opgewekte blijheid. Zo’n blijheid die bij sommige mensen intense woede oproept. Zo ongelooflijk jaloers maakt die blijheid. Of noem het een haatzaaiende blijheid. Of beter nog, een haatoogstende blijheid. Een blijheid die op den duur het auto-immuunsysteem ten gronde richt.

Het badeendje stelde zich de vraag naar zijn raison d’être omdat hij na het rustig dobberen altijd en eeuwig in een hevige storm en vervolgens een doodse stilte verzeild raakte. Wie of wat kon het op hem gemunt hebben? Wat deed hij fout? Wat maakte zo veel agressie los? Was het zijn eigen schuld? Wat kon hij er tegen doen? Gewoon weggaan? Was hij te veel hier? En waar moest hij dan naartoe? En hoe? De vragen buitelden voortdurend over elkaar heen achter zijn ongewild überblije maskertje van polyvinylchloride. Met steeds als eindpunt de wanhopige vraag naar het waarom van dit leven.

Het badeendje voelde zich weer niet op zijn gemak. Bijkomend probleem was dat hij ook niemand had om zijn vragen mee te delen. Er was verder tussen de vlokken geen enkel medebadeendje te bekennen. Er dreven zo nu en dan nog wel een krokodil en een bootje met daarin twee matroosjes voorbij maar daar had hij nog nooit een woord uit horen komen. En zelf was hij ook niet bepaald spraakzaam. Het enige geluid was na verloop van tijd dat van het water en van de kleine plofjes van de belletjes die samen de schuimvlokken vormden. Als er geen plofjes meer waren, waren ook de schuimvlokken weg. Dan kon het badeendje het hele bad overzien.

Meestal zag hij dan in de verte een groot hoofd. De ogen ervan waren gesloten en mond en neus kwamen nog net boven het water uit. Het water bewoog met trage en lange golven mee op de beweging van iets dat zich onder water moest bevinden. Uit de neus stroomde iets dat rond het hoofd kleine rimpelingen in het water veroorzaakte. Het hoofd zelf bleef steeds op dezelfde plaats. Totdat het zich abrupt oprichtte, waarna zich met een groot gebaar een zwaar, log lichaam uit het water verhief. Dat was het moment waarop het badeendje meende dat het met hem gedaan was. Een golf overspoelde hem en vrijwel direct daarna begon het oppervlak van het water razendsnel te dalen. Altijd eindigde het kolkende draaien met het voortdurend botsen van krokodil, bootje en badeendje tegen elkaar. Was de rust weergekeerd dan werd het badeendje opgenomen door een vlezige hand en op zijn vertrouwde plekje op de badrand gelegd.

En ook al straalde het voortdurend van blijdschap, het badeendje vond het een leven van echt drie keer helemaal niks.

Boodschap

Er is weer reuring in Groningen. Nu er sprake is van het bouwen van nieuwe kerncentrales, start ook de discussie over het radioactieve afval weer op. Voor het opslaan daarvan zijn ook de zoutkoepels onder Groningen in beeld. De burgers komen er weer in beweging. Ik kan dat begrijpen. Werd het er net een beetje rustig, en nou dit weer! Was dat nodig? Een Vandaag had een rijzige, welbespraakte techniekhistoricus opgetrommeld om daarop zijn kennis op te projecteren. Ik slaagde er helaas niet in zijn verhaal te volgen. Hoezo niet? Nou, dat zit zo. Ik raak de laatste tijd steeds meer in de war als spraak in veel lichaamsbeweging gehuld de mond verlaat. Ik raak daardoor afgeleid van waar het om gaat. Er was een tijd dat spraakgerelateerde moves beperkt bleven tot spiertjes in het gezicht voor een inkijkje in de onderliggende gevoelens. Daarna kwamen ook handen in gebruik voor het leggen van wat accenten en armen voor enerzijds en anderzijds. De techniekhistoricus zette wat mij betreft een nieuwe trend met zijn als een berk op de wind heen en weer wuivende torso en met armen die nog iets meer wilden vertellen dan eneranderzijds, verder en wijder reikend dan nodig voor het overbrengen van de zakelijke boodschap. Ergens in de ontwikkeling van spreken in het openbaar is er een moment geweest dat een coach dacht dat praten saai is als de spreker – al dan niet achter een katheder – weinig beweegt. Het gezicht is bovendien te ver weg voor de luisteraar in de zaal. Die coach heeft waarschijnlijk geadviseerd ook iets met de handen te doen. De armen kregen wat later een functie als er naar geprojecteerde sheets gewezen diende te worden. Daarna kreeg je het loopje van Brinkman en werd het pad voor choreografische experimenten verder geëffend. Eenmaal op dat pad laat de leerling het geleerde niet meer los, ook niet als het kader waarbinnen gesproken wordt een televisiescherm is. In mijn waarneming is dat te veel reuring voor een beperkte ruimte. Focus wordt lastig.

Gemak

De kleine van bijna vier werd rond half elf door zijn papa bij ons bezorgd. Als altijd met een goed humeur en vol energie die onophoudelijk een uitweg zoekt. Het lijkt mij ontzettend vermoeiend dagelijks zoveel brandstof te moeten verstoken als hij doet. Toen we rond twaalf uur zijn zus van school hadden opgehaald, verhuisden we naar hun huis met de grote tuin die baadde in de zon. Ze aten er kadetten met knakworst. Ik vond dat ik maar eens mee moest doen maar dat was niet echt een goed idee. Het bleek weer eens smakeloos en doods voedsel. Het was ook tegen beter weten in. Zelfs de mosterd was niet tot troost. Om half drie pikte ik oudste broer op bij zijn school. Het werd daarna een middag met spelletjes en wild op de trampoline spelende kinderen. Aan de einde van de middag viel de kleine met volrode konen op een stoel in slaap. We moesten hem wakker maken voor de pizza. Waarna hij langzaam weer bij de mensen kwam. De pizza ging erin als koek en ze wilden de tuin weer in. Tegen zeven uur haalden we ze weer naar binnen. Of hij nog even naar de nieuw Paw Patrol mocht kijken, vroeg de kleine, kroop bij oma El op schoot en sloot een stuk of wat ruim bemeten knuffels in zijn armen. Dadelijk heeft Sky een probleem, zei hij. Dan komen de meteorieten. Maar, hij lost het op en daarna wordt hij gered. Fijn dat hij ons door die spannende passage loodste. We voelden ons bij hem zeer op ons gemak.

Priel

Vanochtend kennisgemaakt met Priel. Priel is een Nederlands woord. Internet leerde: Een zwin of een priel is een natuurlijke geul of kreek in buitendijkse gronden, onderhevig aan het getij. En: Het woord wordt ook gebruikt voor de lineaire depressies die parallel met de kustlijn lopen aan stranden met een zachte helling (dissipatieve stranden). Waarna ik het wenselijk vond op te zoeken wat dissipatief is. En daarover zegt het internet: Een dissipatief systeem of dissipatieve structuur is een open systeem dat met zijn omgeving energie en materie uitwisselt. Een dissipatief systeem is hierdoor niet in thermodynamisch evenwicht. Tja, en dan zoek je verder en vind je: Een thermodynamisch evenwicht is een toestand waarin een thermodynamisch systeem zowel een thermisch als een mechanisch evenwicht en een evenwichtsreactie bezit. Ik duizelde. En dan had ik nog niet kunnen vinden wat in verband met dissipatieve stranden lineaire depressies die parallel met de kustlijn lopen zijn. Iets met het weer, veronderstelde ik. Maar misschien was hier depressie wel bedoeld als iets met een reliëf, iets met diepte? Je mag van mij aannemen dat priel bij mij iets aanrichtte waar ik niet bepaald weg mee wist. Priel is op het eerste gezicht en buiten een heldere context een woord als krel of zakoef of agipafels, zo’n woord dat niet bestaat en dat als het zou bestaan met geen mogelijkheid te duiden valt, ook niet in een heldere context. Zo’n woord dat je gaat opzoeken op het internet en dat je daar dan met al je goede bedoelingen het bos wordt ingestuurd om daar helemaal zakoef weer uit te komen, krel van alles wat je daar zag en hevig teleurgesteld in de uitkomst van je agipafelsen (ja, dat heeft ook een meervoud!).

Zondag

Zondag 1 april 2007

Vandaag schijnt de zon

als eigenlijk elke dag.

Maar toch, vandaag wel

heel erg zichtbaar en

warm aanwezig ondanks

een kille noordnoordwesten

wind die in elke hoek van

de tuin kruipt en haar een

das doet dragen terwijl zij

vanachter haar zonnebril

stil leest in haar stoel en

haar haren zo nu en dan

wild om haar heen slaan.

Vanavond heeft zij weer

een beetje meer kleur op

haar gezicht en zal zij

rozig slapen en dromen

alsof de zon nog schijnt. 

Fijnzerig

Donderdag 5 februari 2009

Nou meende ik toch net Frans Bauer op Radio 2 te horen zeggen dat hij fijnzerig is. Van Frans kan ik dat echt heel goed hebben. Het is een lekker spontane volksjongen met een gouden hart. Bovendien is hij ambassadeur van het dingetje van Prinses Laurentien dat met lezen en schrijven en het eventueel niets of weinig daarmee kunnen te maken heeft. Lezen en schrijven vind ik zelf ook heel leuke dingen en het is een genot te weten dat ik dat gevoel deel met Frans en Laurentien. Je kunt je erger voorstellen. Het kan overigens ook zijn dat Frans gewoon kleinzerig zei. Ik ben namelijk een beetje slechthorend.

Slechthorendheid is overigens niet prettig. Toen ik afgelopen zomer met mijn jongste zoon ’s avonds op een zoele zomeravond in de tuin stond, vroeg hij of ik die krekel hoorde. Voor mij bestond er tot dat moment geen krekel. Ik: Welke krekel? Nou, die krekel die je hoort, zei hij. En ik Dat is dan toch echt een krekel die jij hoort. Hij: Dus jij hoort die krekel niet? Nee, ik hoorde die krekel niet. Dan hoor jij niet te best, zei hij. Dat hoorde ik dan weer wel en daarbij wist ik dat al wat langer. Maar dat ik een krekel niet meer kon horen, dat wist ik niet. Te lang niet meer in Zuid-Frankrijk geweest. En dat betaalde zich nu uit met de vertraagd aangewaaide wetenschap dat krekels uit mijn belevingswereld zijn verdwenen. Nu ik het opschrijf vraag ik mij af wat er nog meer niet meer tot mij doordringt maar er wel is. Ik kan op het moment even niets bedenken. Hoewel, in elk geval een hoop hoge tonen in de muziek. Want die gaan het eerste op de loop als je slechthorend wordt.

Ook niet prettig: ik hoor soms heel andere dingen dan mijn lieve L. bedoelt. Koop je meteen ook even koffie? klinkt op afstand – en zeker in de buurt van de afzuigkap – in mijn oren al snel als Loop je weer in hetzelfde kloffie? Dat soort misverstanden heeft ook iets te maken met verwachtingspatronen. Ik loop inderdaad weer in dat kloffie en ik weet dat lieve L. graag ziet dat ik regelmatig iets anders aantrek. Liefst ook nog iets toonbaars. Zelf loop ik het liefst in mijn gewone kloffie omdat er altijd wel ergens een lik verf overheen moet, een gat geboord, een gat gegraven of gras gemaaid. Me steeds maar omkleden is ook al zoiets. Als druk baasje heb je daar geen tijd voor of je neemt er de tijd niet voor. Geef je me de boter even? klinkt voor mij ongeveer als Evert op zijn kloten geven? En dat terwijl we het helemaal niet over een Evert hadden en beiden geen Evert kennen. Althans voor zover ik weet.

En ja, natuurlijk overdrijf ik maar ga er maar van uit dat ik tegenwoordig toch iets beter op moet letten dan vroeger toen alles nog zonder ruis en ongestoord tot mij kwam.

Rob

Waar was jij toen je hoorde dat Rob de Nijs was overleden? Nou, wij waren onderweg van Nijmegen naar Venray, in de auto. Het was zo ongeveer toen we de Maas overstaken, via de brug in de A73. We kwamen van een ontmoeting met vrienden van lang geleden. Uit de tijd dat Rob de Nijs tot de vaste bezoekers van de hitlijsten ging behoren. Rob de Nijs was ooit mijn leven binnengekomen tijdens een vakantie bij neefjes en nichtjes in Delden. Zij hadden een platenspeler én een plaatje met daarop Zachtjes Tikt De Regen Op Het Zolderraam. Ik was niet bezig met waar Rob zich op dat moment om bekommerde. Rustig laten tikken, dacht ik. Sentimenteel gedoe. En ik had niks met nederlandstalige muziek. Wel was ik jaloers op de neefjes en de nichtjes, vanwege die platenspeler. We hadden er thuis een maar daarover waakte mijn vader als een kat over haar jongen. Die kwam alleen op zondagen uit de kast. Voor operettemuziek. Ook niks aan. Veel later pas, toen ik Nederlands gaf aan een middelbare school, het album Zing Je Moerstaal (tgv Boekenweek 1976) uitkwam, Boudewijn de Groot almaar bleef scoren, Doe Maar doorbrak, Don Quishocking in schouwburgen de show stal, Willem Wilmink met prachtige teksten schitterde in kinder- en jeugdprogramma’s op televisie, Kinderen Voor Kinderen zich nestelde in ons gezinsleven, Herman van Veen Alfred Jodocus Kwak aan ons voorstelde en onze kinderen van de straat hield, kreeg ik ook Rob de Nijs weer in het vizier. Met zijn hits. En nou spookt me Banger Hart voortdurend door het hoofd.

Poes

Het is de tijd van het jaar dat de zon nog een laagvlieger is, dat hij weliswaar al verblijdt maar ook nog verblindt. We reden naar Maastricht, naar het zuiden en dus kwam de zonnebril van pas. Er spoelde een licht gevoel van vakantie door de auto en het hoofd. In Maastricht parkeerden we bij Sint-Pieter-beneden, een kerk die is getekend door Frits Peutz (beroemd) en Willem Sprenger (iets minder beroemd) en in 1938/1939 opgetrokken uit mergelsteen. Er is ook nog een Sint-Pieter-boven – of Sint-Pieter-op-de-Berg – maar die is neogotisch en gebouwd in 1875. Het was rond het middaguur en we gingen naar een feestje, een feestje in de familie en dan weten we dat een minder gevulde maag net zo van pas komt als een zonnebril in de late winter tijdens een autorit naar het zuiden, met de zon vol in het gezicht. We hadden trek en verheugden ons op de lunch die op ons wachtte. En op het weerzien met al die lieve mensen die ook zo van goed eten en een prettig wijntje houden. En voor wie gespreksstof zich gaande het eten en drinken per strekkende meter laat afrollen. Ze komen uit een traditie van voedsel van rond het huis en in de loop van de tijd is van rond het huis steeds betrekkelijker geworden en staat dat voor ambachtelijk en met liefde gefokt, geteeld en bereid. Ook rond de huizen van mensen in Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje. Ik zal niet zeggen dat dat typisch is voor Zuid-Limburg maar ik zeg dat wel met enige aarzeling niet. De poes des huizes had zich ondertussen neer te leggen bij een streng regime van blijf-weg-bij-de-tafel-en-jij-krijgt-niks. Ze was het er niet mee eens maar wist zich in ruil voor zachtjes aaien onverwacht goed te gedragen. We spraken af elkaar binnenkort weer te zien en dan ook weer met trek in goed eten en drinken.

Rompertje

Maandag 26 januari 2009

Kijk, zegt het meisje bij de tramhalte tegen de oude dame die naast haar op het bankje in het hokje zit. Een rompertje.

Ze houdt het geval aan de schoudertjes op zodat de dame er goed naar kan kijken.

Wat een mooi rompertje, zegt ze, niet goed wetend wat het meisje van haar verwacht. Is het weer zo’n raar meisje zoals je ze tegenwoordig wel vaker ziet? In de tram en in de metro? Zo’n meisje dat met haar leven geen raad weet? En dit meisje heeft dan maar een rompertje gekocht? Voor wie is het, vraagt ze.

Voor mijn baby, zegt het meisje.

Zo, zegt de dame, jij hebt een kindje?

Een baby ja, zegt het meisje en legt het rompertje op haar schoot. Haar handen legt ze op het rompertje. Een meisje, heel klein en heel lief.

En waar is je kindje nu dan? Heb je haar niet meegenomen? Is ze thuis? Past jouw moeder op haar? De oude dame is nieuwsgierig.

Nee, zegt het meisje, en ze lacht. De poes past op haar.

Inderdaad, denkt de oude dame. Een raar meisje, dat is het. Ze zegt: Hoe kan de poes nou op jouw kindje passen?

Ja, zegt het meisje, dat kan mijn poes gewoon. Ik weet ook niet hoe ze het kan, ze kan het gewoon. Ik heb er in elk geval niets voor hoeven doen. Het is van de Hema, dit rompertje. Vindt u het leuk? Ze zwijgt.

Zeker vind ik het leuk. Heel leuk zelfs. Het zal je kindje vast heel goed staan. Denk ik. De kleur is leuk, dat halsje, dat vind ik ook leuk. En jij hebt vast een heel leuk kindje. Een prima combinatie dus, zegt ze. Kwam de tram maar, denkt ze.

Kijk, daar komt de tram, zegt het meisje. Nou, tot ziens misschien. Ik loop naar huis. Dat is gezonder en het duurt wat langer. Dus dan heeft de poes net iets meer tijd om het eten klaar te hebben voordat ik thuis kom. Dag mevrouw. Doe het voorzichtig aan, hè. Op uw leeftijd weet je maar nooit. Dan kan je van alles overkomen.

Als de oude dame in de tram zit, zwaait het meisje vriendelijk naar haar. Ze zwaait terug.

Werelden

Op het plein was in één week aan de gevel van de schouwburg een gigantisch paviljoen gebouwd. Het had voornamelijk glazen wanden. Binnen was een uiterste poging gedaan met voluptueuze maar desondanks gedistingeerde zetstukken en kunstplanten een chique ambiance te creëren. Uit de laatste busjes die vandaag waren komen aanrijden werd nog van alles en nog wat voor een geslaagde nip- en hapsessie naar binnen gedragen. Daar kreeg een brigade van zo’n veertig jonge mensen de laatste instructies inzake het bedienen van de gasten die later op de middag verwacht werden bij dit grootse bedrijfsfeest van een omvang die in dit dorp zelden gezien werd. Ik was ondertussen op weg naar de bibliotheek waar een bescheiden feestje ter gelegenheid van de boekenweek werd georganiseerd. Kinderen konden er knutselen, er zou worden voorgelezen en er was een verhalenverteller. Ik vatte post aan een tafel, in een comfortabele stoel nadat ik het februarinummer van Vrij Nederland uit de bladenwand genomen had. Langzaam stroomde de bibliotheek vol met kinderen, papa’s, mama’s, opa’s en oma’s. Er viel een kind een tand door de lip. Het huilde hartstochtelijk, ontroostbaar ook. Een jonge moeder gaf haar baby de fles. Het kind keek voortdurend weg naar alles wat bewoog. Het schoot niet op maar het geduld van de moeder zegevierde. Twee vriendinnen zonder kinderen dronken in een hoekje gezellig muntthee en hapten beetje voor beetje een cupcake weg. Druk met elkaar. Op een houten verhoging zat stil een stevige vrouw met hoofddoek en dikke winterjas aan zich te laven aan het bruisende leven om haar heen. Kijken was genoeg. Ik las ondertussen wat artikelen in de Vrij Nederland. Het was lang geleden dat ik dat gedaan had. Het was een ander blad geworden. Het is een andere tijd, dat ook. En er lagen vandaag twee totaal verschillende werelden op en aan het plein.