Gewoon

Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Kijk, ik vraag me dus af waar die wijsheid vandaan komt. Wie verzint dat? Hoezo, gewoon? Wat is dat, gewoon? Zeg nou zelf, weet jij dat, wat gewoon is? Dat zei Henk gisteren, tegen mij. Begrijp jij dat? Tegen mij, hè. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Ik ben er nog steeds van uit m’n ritme, weet je. Mijn moeder zei altijd: Hou eens op met dat grijze-muizengedrag. Laat je eens zien. Je bent iemand en dat mag iedereen weten, hè. Loop niet altijd zo dicht tegen de gevels aan. Bij wijze van. Nou, hier ben ik dan. En dan zegt Henk, Henk hè, uitgerekend Henk dat ik gewoon moet doen, want dan doe ik al gek genoeg. Ik doe dus gekker dan gek genoeg. Maar wat is dat, gek, en dan ook nog gek genoeg? Alsof je ook níét gek genoeg kunt doen. Ja, volgens mijn moeder. Hee, jij daar, ja jij, jij doet niet gek genoeg. Doe eens gekker! Want zo gek als je nu doet, dat is écht niet genoeg, weet je! Daar ga jij het niet mee redden, zo wordt het helemaal niks met jou! Maar goed, Henk zegt dus dat ik té gek doe. Dat het ook wel wat minder kan. Dat ik moet dempen, dat ik moet dimmen, afschalen naar gewoon. Maar, kijk naar mij, zie jij ook iemand die te gek doet? Zie jij mij al voor je terwijl ik gewoon doe? Eerst m’n moeder dat ik minder grijze-muizig moet doen en nu Henk die vindt dat het wel wat minder kan met gek. En dat zijn de mensen waar je van houdt, hè. Daar moet je het van hebben. In je leven! Ik ben er helemaal van in de war. Nou, wat mij betreft, ze kunnen de pleuris krijgen. En als ik dat zeg, is dat dan gewoon genoeg, is dat dan gek genoeg of is dat gewoon of té gewoon en moet het dan weer wat gekker? Mens, ik moet er helemaal van bijkomen. En, wat vind jij, ben ik geschikter voor gek doen of meer voor gewoon? Zeg het maar gewoon, hoor, ik ben nou toch al in de war.

Limerick 2

Net als gisteren: een limerick die ik aanstaande zaterdag mogelijk voorlees tijdens Schijt aan de Grens in Venray, in de gemeentetuin.

Een bakker uit Venray met duiten

liep altijd naar meisjes te fluiten.

zo vond hij een lief

maar zij bleek een dief

die hem ook naar zijn duiten liet fluiten.

Limerick

Aanstaande zaterdag 24 augustus lees ik tijdens het gratis festival Schijt aan de Grens in Venray en Overloon in de gemeentetuin in Venray wat teksten voor. Wellicht ook deze limerick:

Een Weller ram en een Weller ooi

die werden verliefd in Wellerlooi.

Maar snel kwam de klad

in hun liefde omdat

de ram een nieuw lief vond in’t Gooi.

Behalve een aantal limericks lees ik dan ook nog wat columns en enkele gedichten voor.

Wil je me nog een column horen voorlezen, luister dan op zondag 25 augustus even na 9:00 naar radio Omroep Venray naar de rubriek Even Stilstaan. Die column heeft de titel: Fietsen.

Nummers

We kregen een lieve uitnodiging om een hapje mee te gaan eten en kwamen terecht in Venlo. In een restaurant waar de gerechten nummers hebben en de medewerkers zijn opgeleid de gasten juist niet als nummers te behandelen. De gerechten nummerden door tot en met 84. Die nummers staan dus voor heel veel verschillende gerechten. We kregen instructie. Het maakte niet uit waar je begon, vooraan of achteraan of in het midden. Het donderde ook niet hoeveel je ging eten, als je genoeg had, moest je gewoon allemaal hetzelfde bedrag neerleggen. Dat is, dacht ik, ondanks de enorme diversiteit aan mogelijkheden, typisch een concept voor wie niet kiezen kan en zich graag tot schransen laat verleiden. Gelukkig, zo kennen we ook een restaurant waar je moet eten wat de pot schaft. En sterker nog: In dat laatste is een uiterst beschaafd hapje eten een stuk duurder. Ik besloot ondanks de mogelijkheid tot chaos de volgorde op de kaart aan te houden. Van 7 en 14 naar 23 en 24 naar 41 en 44. Daarna was ik geheel voldaan terwijl links en rechts van mij, met name door het jongste volk, geheel in lijn met de onverzadigbaarheid die de puberteit tekent, nog het ene nummer na het andere werd aangerukt. Ik moest sterk denken aan een vakantie in de buurt van Cadiz waar we met ons toen nog kleine gezin in een resort vierden dat we al behoorlijk lang getrouwd waren. Daar deden gasten uit alle hoeken en uithoeken van Europa zich ‘s morgens, rond het middaguur en ‘s avonds ongegeneerd tegoed aan riante buffetten met een enorme diversiteit aan spijzen. Maar ook, bij het verlaten van de tafels lieten ze volgevreten en soms reeds danig boerend schaamteloos halfvolle borden achter. We voelden enige plaatsvervangende schaamte. Hebben we dat ook eens meegemaakt zeiden we tegen elkaar toen we er aan het einde van de week door de poort naar buiten reden. Terwijl we vanavond terug naar huis reden dacht ik: Dan viel het vanavond nog heel erg mee, Alle bordjes en kommetjes gingen leeg terug naar de spoelkeuken.

Chocobom

Vanaf de achterbank kroop in de auto weinig subtiel de geur van goedkoop snoep naar voren. Het wasemde uit de mond van twee kwebbeltantes die net uit de film kwamen. Ik zeg wel twee maar eigenlijk was het er één die bijna onophoudelijk aan het woord was en een ander die op gepaste momenten het gesprek compleet maakte. Wat ze sámen deden was kwebbelen. Het klonk terloops maar ongemerkt ging het ergens over. Dus het waren échte mensen in de film, vroeg de kleinste. Wat denk je zelf, vroeg de oudste. Dat ze getekend waren, zei de jongste. Goed, met haar dik zes jaar lukte het haar even niet de met schmink en kleding licht tot zwaar karikaturaal vormgegeven filmfiguren helemaal als echte mensen te zien. De oudste had de film wel aardig gevonden, de jongste leuk, ondanks haar twijfel over de mate van echtheid van de personages. Waren het nou mensen of toch iets anders? Het bleef haar bezighouden. Ze had tijdens de film naast mij gezeten en ik had gemerkt hoe Het Feest Van Tante Rita, De Chocobom haar na ongeveer drie kwartier steeds minder kon boeien. Bijna zeker niet omdat de verhaallijn weinig overzichtelijk was. Die was namelijk héél overzichtelijk. Gelukkig had ze ook nog een zak met wat snoepjes op haar schoot staan en kon zij zich bezighouden met het in een traag tempo opeten van de voorraad. Ondertussen pakte ze langzaam ook de draad van de film weer op. Vraag je mij wat ik zelf van de film vond, ik vond hem tof. Om twee redenen. Als volwassen Neerlandicus omdat ik er moeiteloos alles in aantrof van een klassiek verhaal met thema’s en motieven van alle tijden. Goed en kwaad, loyaliteit of verraad, verliefdheid, onschuld en doortraptheid, schuld en boete, enz., enz., enz. Tegelijkertijd nodigde de film uit om weer even het innerlijke kind de ruimte te geven. En dat is goed want daar komt het in het dagelijkse leven te weinig van. Nadat op de achterbank het gesprek over de film tot een einde was gekomen, hadden we het met de beide dames nog even over popcorn, zowel de zoute als de zoete als de mix. Toen we bijna thuis waren, hadden we afgesproken dat popcorn in gewoon Nederlands plofmaïs is. Dat was ook voor de jongste goed te overzien.

Dagboek

We fietsten naar de buitenschoolse opvang. We hadden afgesproken daar Ef op te halen want ze zou een nacht bij ons logeren. Ef nadert de zeven jaar en is nog maar beginnend bewust fietsend verkeersdeelnemer. Dus reden we in een zorgvuldig samengestelde colonne over verkeersluwe wegen en weggetjes naar huis. Opa voorop om met wijd uitwaaierende armen de richting aan te geven, daarachter de luid kwebbelende Ef met maar matig aandacht voor andere verkeersdeelnemers maar redelijk vast van koers en daar weer achter oma om te kijken of alles wel goed zou gaan. Zoals die dingen gaan. En, alles ging goed. We kwamen geheel intact waar we wezen moesten: thuis. Er zijn met Ef gesprekken te voeren. Toen we thuis waren namen we door wat in de vakantie het leukst was geweest (Troy in Toverland), of ze zin had om weer naar school te gaan (ja), wat ze dan leuker vond, haar vriendinnen weer zien of nieuwe dingen leren (dat laatste, en dan vooral de tafels, terwijl ze een uurtje later zei dat ze rekenen niet leuk vindt) en nog wat van die dingen. En passant pikte ze op dat twee keer twee dolfijnen vier dolfijnen zijn en drie keer twee zes en concludeerde ze dat maal eigenlijk hetzelfde is als plussommen. We keurden het goed. Vervolgens dook ze met een hoofd vol verhalen op Lego Friends om al die poppetjes, hondjes, poezen, wagentjes en gewoon dingen haar wil op te leggen. En toen waren er frites, komkommer en iets van kip met een korstje. Nee, geen mayonaise, niet deze keer, niet haar merk, sorry oma, volgende keer beter. Plus een kort vertoog over waarom deze kip met een korstje niet precies haar ding was. We kletsten lekker mee. En dat de frites dikker waren dan die papa altijd kocht. Maar, ze vond ze wel lekker. No worries, straalde ze uit. Daarna spraken we af even stil te zijn want dan kon ze tenminste even dooreten. Dat duurde niet heel lang. Ze zei: Ik ben nu wel klaar met de frites en de kip. En even later had ze het gehad met de komkommer. Een toetje? Ja, een toetje kan er nog wel bij, oma. Enfin, toen het tegen bedtijd liep, vroeg ze nog even tijd om in haar dagboek te werken. Dat mocht. En nu doet ze nog even een dom spelletje op de iPad.

Vooroordeel

Toen ik terugkwam van het ziekenhuis vanochtend – ik had er vier kleine buisjes achtergelaten, drie met bloed, één met ochtendurine – reed ik langs een man die op een hoge huishoudtrap een minstens drie meter hoge coniferenhaag stond te snoeien. Of misschien was het meer scheren? Hij werkte met een machine van een bekend merk waaruit een snoer liep naar een in stevig doorzichtig plastic verpakt oranje energiepakket dat als een rugzakje op zijn – je raadt het al – rug hing. Ik moest denken aan een scène in het boek Bidden Wij Voor Owen Meany van John Irving. Als ik het me goed herinner was die scène enerzijds hilarisch, anderzijds ook tragisch. En dat was het dan weer. Ik heb een slecht geheugen voor wat in boeken verteld wordt en dat voelt als een handicap. Als ik naga hoeveel ik geniet van lezen dan is wat ik me daarvan herinner een schamel beetje. Behalve een gevoel over de kwaliteit van het boek en de sfeer, de bedoeling, het belang blijft er van de feitelijke inhoud weinig hangen. Toch blijf ik lezen plezierig vinden. En, toen ik vanochtend het ziekenhuis binnenstapte en via route 4 bij de aanmeldzuil voor bloedprikken arriveerde, stond daar een rijtje van drie. Bij de zuil een mevrouw die nogal worstelde met wat het scherm haar aanbood. Daarachter twee mannen. Ik sloot aan. Achter mij groeide de rij. Wat opviel: De vrouw – met hoofddoek – had niet de behoefte om hulp te vragen, leek het, de mensen om haar heen maakten geen aanstalten haar hulp te bieden. Ik aarzelde nog. Maar opeens kwam de vrouw tot het besef dat haar inspanning tot niets leidde. Ze draaide zich om naar de man achter haar. Daarna was het snel gebeurd. Iedereen gelukkig. De rij loste zich snel op. Het had de scène in een verhaal, bijvoorbeeld over vooroordelen, kunnen zijn.

Droom

Hij droomde die nacht. Hij zag vage grijze, uitgebeten filmbeelden van de opmars van de geallieerde troepen bij Oirlo. Stoottroepen die over stoffige landwegen trokken. Met zoveel geweld dat langs de weg bomen en struiken en telefoonpalen het begaven. Op een laag hekje van kale stammetjes zaten enkele jonge mannen naar de in een felle, jachtige wind oprukkende voertuigen te kijken. Een van hen rookte een pijp. Ze hadden het haar van jongens uit die tijd. Ze keken als mannen in een film van Bert Haanstra. Hij vroeg zich af wie het waren, of hij ze kende, nu, nu ze zoveel ouder moesten zijn. Hij sprak ze aan maar kreeg antwoord van plagerige jongens voor de dubbele houten deuren van een schuur in de vork van een Y-splitsing. Hij trok zich terug uit de korrelige beelden. Hij keek op naar de blauwe lucht waar aan touwen en aan elkaar gebonden een stoet van oorlogstuig in heldere HD-beelden werd voortgetrokken. Hij herkende ze als een variant op een andere droom. Daarin vloog hij zelf, op eigen kracht of in een vliegtuig. Soms zag hij eindeloos veel vliegtuigen in strakke formaties of volgens frivole choreografie tegen een helblauwe lucht. En dan opeens was daar daar een boek, stuk gebladerd, door en door gelezen en voorzien van leesaanwijzingen. Hij las hardop: Indien het al zo was, dan ja …. vervolgens keek hij op en zei: Duidelijk het exemplaar van de auteur zelve. Toen nam Hanny Michaelis het boek op, liep van hem vandaan en gaf – ze had zware benen, gestoken in gele maillots, de voeten in afgedragen, houten klompen – het boek aan Gerard Reve die hij nu recht in het gezicht keek. Reve lachtte hem vriendelijk toe. Hij vond het duidelijk prettig kennis te maken. Hij knipoogde bovendien. Er was vooral zachtaardigheid in de ogen van Reve. 

Kip

Van de week moest ik opeens denken aan een voorval, lang geleden. We woonden in Vught en ik was – gokje – een jaar of tien. We woonden in een huurhuis in Vught. Dat had een garage en wij hadden geen auto. Mijn ouders verhuurden die garage voor tien gulden per maand aan iemand met meer geld dan zij én in het bezit van een auto. Hij woonde zeker 500 meter bij ons vandaan en kwam elke ochtend te voet zijn auto ophalen en aan het einde van de dag kwam hij die weer bij ons in de garage zetten. Waarna hij weer te voet naar huis ging. Hij werkte in Den Bosch, net als mijn vader, die lopend, met de fiets of de bus naar zijn werk ging. De huurder en mijn vader werkten daar in gebouwen vlak bij elkaar. Ik kan me niet herinneren dat mijn vader ooit meereed. Het bezit van een auto lag ver buiten het bereik van de financiële mogelijkheden van mijn ouders. Voor ons kinderen was rijden in een auto een bijzondere gebeurtenis. Op een dag vroeg de huurder of ik zin had mee te rijden. Dat had ik wel. Hij moest een boodschap doen. We reden Brabant in. Zeg in de richting van Sint Michielsgestel en verder. Het was een heerlijke rit. Ik genoot. Totdat de huurder bij een boerderij stopte en de wagen parkeerde langs de kant van de weg. Blijf maar even hier zitten, zei hij, opende zijn portier, stapte uit, sloot zijn deur en liep het erf van de boerderij op, verdween uit het zicht. Ik voelde me niet helemaal senang. Maar, hij had even gezegd, dus ……… ik vond dat zijn even lang duurde en nog langer duurde en hield mijn ogen voortdurend gericht op het punt waar de huurder achter de boerderij verdwenen was. Opeens zag ik iets bewegen. Het liep over het erf. Het bewoog laag bij de grond. En het bewoog snel. Opeens drong tot me door: Het is een kip. En: Het is een kip zonder kop. Er liep iemand achteraan. Die kende ik niet. En ik dacht: Gewoon recht vooruit kijken, dit heb jij niet gezien, hier moet je dadelijk niet over willen praten. De tijd verstreek. Ik raakte uitgekeken op de weiden, de weg met aan weerszijden hoog opgaande populieren, er stond een zachte wind, de zon scheen. Rondkijken in een omgeving die je niet kent is leuk maar het plezier houdt een keer op. Opeens hoorde ik hoe de klep van de kont van de wagen open werd gemaakt en weer gesloten. Daarna ging de deur van de huurder open. Hij ging zitten en zei: Zo, dat is ook weer gebeurd. Ik dacht: Ja, en ik ga niet laten blijken dat ik weet wat dat is. Ik kon de soep al ruiken. Ook op de terugweg kon ik genieten van het ritje dat mij op deze mooie dag in de schoot was gevallen. Ondanks de kip zonder kop in de kofferbak.