Bijschrijven

De krant meldt dat de Staatsloterij op Koningsdag iemand in Limburg heel gelukkig heeft gemaakt. De gelukkige mag de komende twintig jaar 50.000 euro per jaar bijschrijven op zijn of haar bankrekening. Stel je voor: Jij mag geld bijschrijven op je rekening, hoe zou jij je voelen? Jij Mag Geld Bijschrijven! Op Jouw Rekening. Terwijl ik het las, dacht ik: Stel dat ik zo’n bericht zou krijgen. Paniek! Want het mag wel, waar waar ga ik 50.000 euro per jaar vandaan halen? Maar ook: Het mag, het hoeft niet. En dat is dus de prijs? Dat het mag, maar niet hoeft? Dat de prijs is dat je in paniek raakt en vervolgens te horen krijgt: Hoeft niet, geen paniek, RELAX, geintje want het moet niet, het MAG! Lees het nog maar eens goed. Het moet niet, het hoeft niet, het MAG. Niemand die moeilijk doet omdat je het niet doet. Het MAG. Sterker nog, de Staatsloterij gaat twintig jaar lang 50.000 euro op jouw bankrekening storten. Dat staat alleen niet in de krant. Daar staat dat jij het mag doen.

Huilbui

We vinden dat we nog maar even de straat op moeten. Even een rondje dorp en dan nog even ergens neerstrijken voor een koffie of een wijntje. Het is er tamelijk druk. Want koopzondag. En er zijn vandaag levende beelden. Trekt ook publiek. Het waait knap hard, de temperatuur is goed. Maar nu ter zake. Het terras waar we aanleggen voor een witte wijn ligt beschut. Het is er rustig. Het is vijf rijen diep. Wij zitten achteraan. Het overzicht is perfect. Op rij twee, bijna recht voor ons, een jong gezin, met oma, zijn moeder. We kennen ze, althans, weten wie ze zijn. Maar, niet belangrijk. Ondanks dat het een jong gezin is, kindjes van twee en zes, meisjes, is het rustig aan het tafeltje (ja, vooroordelen). Die twee kleintjes scharrelen wat rond op het terras, zitten op een stoel, kruipen bij mama of oma op schoot (geen vooroordeel, feitelijke waarneming). Sereen. Tot de doffe bonk. Ik denk: Daar gaat een hoofdje ergens tegenaan en dat was niet de bedoeling. Na de bonk even stilte, beweging aan tafel, huilend kind. Het mag bij mama op schoot, papa inspecteert de plek van de impact en hij wijst, kijkend naar oma, naar zijn voorhoofd, rechts bovenin. Daar heeft het hoofdje de tegels van het terras geraakt. Wondje, zeggen zijn lippen. Rond het tafeltje is het nu rep en roer. Alles beweegt. Papa loopt gehaast het café in. Als het kind eindelijk tot bedaren is gekomen en niet meer als een dood vogeltje met het hoofdje op de schouder van de moeder ligt en op haar schoot zit, kan ik de blauwe bult zien. Daar moet ijs op, denk ik. Waar is de vader. En daar is hij al. Met een handdoek en ijsklontjes. Het is goed, het is belangrijk, het gaat helpen, maar je weet ook: dit wordt de volgende huilbui. Dus …… (feitelijke waarneming).

Druppel

De toespraak van Wilders in Hongarije was gematigd. Hij had mildere formuleringen gevonden voor al het extreems dat hij doorgaans vanuit de kilte van zijn ijskast c.q koelkast de wereld in oreert. Dat was nieuws. Dat het wel meeviel. De kranten gebruikten nog wel aanhalingstekens rond matig, maar toch. Wilders matigde zijn toon in het hol van de leeuw, de autocraat in het land dat in 1956 als eerste de kont tegen de krib gooide in de periferie en onder controle van de heilstaat die toen nog Sovjet Unie heette en in de loop van de tachtiger jaren van de vorige eeuw onder de last van haar enorme succes zou bezwijken. Goed, Hongarije is nu het speeltje van Orban. En Janos Kadar zal persoonlijk uit zijn graf moeten opstaan wil daar op korte termijn een einde aan komen. Jaren later volgden Tsjechoslowakije en nog weer later Polen als landen voor wie al het geluk van de heilstaat die toen nog Sovjet Unie heette teveel van het goede werd. En nu, dik dertig jaar verder, zijn dictators en autocraten weer helemaal terug in het centrum van de macht in het grijze gebied in Europa, het gebied tussen trotse maar toch lijdzame, voor repressie zeer ontvankelijke, volkeren en volkeren die de democratie omarmen als de minst slechte manier om een staat, een gemeenschap te runnen. Vraag me ernaar en ik zeg dat Wilders helemaal niet milder is. En ik zeg ook dat Wilders niet ophoudt waar hij nu is. En dat is op de drempel van het torentje. En het dondert niet hoe Wilders zijn boodschap brengt. Dat kan mild, dat kan extreem, dat kan met een glimlach, met een grijns, met een strak gezicht, dat kan met een uitgestoken hand, met een klapje op de schouder, een por in de zij, dat kan met een wet, met een verbod, met een bevel, dat kan kortom met alles wat helpt zijn boodschap vastere en vastere voet te laten krijgen in harten en geesten. Media die daar voortdurend de volle aandacht aan geven zijn nuttige idioten die de druppel helpen de steen uit te hollen.

Lintje

De burgemeester had gevraagd of ons koor wilde komen zingen bij de uitreiking van de lintjes. Dat wilde ons koor wel. Maar in mijn hoofd bleef een beetje rondzingen: Waarom wij, zijn we aan de beurt, zijn wij zo goed, dan? En ja , natuurlijk zijn we goed, maar dan nog. Er zijn nog wel meer heel goede koren die medeburgers die een lintje krijgen kunnen toezingen. Ergens in de loop van de week dacht ik dat een van de leden van het koor wel eens tot de orde van Oranje-Nassau geroepen zou kunnen worden. En daar bleek het uiteindelijk inderdaad op uit te draaien. Het werd zo’n typische bijeenkomst. Onwennigheid vanwege al het protocol, de meeste georderden vooral bedeesd terwijl ze hun lintje krijgen. Terwijl ze in hun dagelijkse leven in allerlei maatschappelijk relevante situaties nadrukkelijk aanwezig zijn. Hoezo, waarom bedeesd? Maar goed, er is een praatje, dit gedaan, dat gedaan, zus nog altijd, zo al een tijdje niet meer, er zijn bloemen, lang zal zij/hij/hen leven, foto voor het fotoboek en voor in de krant, glaasje bubbels, oranjebittertje, handen schudden. Ik weet hoe het voelt. En ook hoe het kan ontroeren. Ik herinner me vooral de verrassing maar ook de ontlading bij het opspelden. Dat was nog in Meerssen en ik werd me op dat moment erg bewust van de historie die ik daar en elders met de mensen had. Uiteindelijk gaat zo’n lintje ook over wat je samen met andere mensen hebt gedaan en hoe zij dat waarderen.

Mispeer

We hadden wat boodschappen gedaan in Venlo – Sorry Venray! Rond het middaguur waren we op de terugweg. Op de radio las een mevrouw een column voor. Die begon met een lofrede op de Pieter Omtzigt die ze kende als ridder op het witte paard ten tijde van het blootleggen van het toeslagenschandaal. Ze had, zei ze, in die tijd veel aanzien voor hem gekregen. Mijn tenen kromden zich in mijn schoenen. Ik raak steeds meer in verwarring als taal-, spraak-, schrijf- en woordvaardige columnisten die met veel aplomb hun visie voor waarheid presenteren, zeker van alles wat ze beweren, geen enkel relativerend moment in hun stroom van woorden inbouwend, tot dergelijke talige misperen in staat blijken te zijn. Waarom toch? Het is niet speels, niet creatief, het is gewoon fout. De lofrede bleek overigens de aanloop naar een tournure naar fors affakkelen. Nou zie ik het ook niet zitten met Pieter, niet meer in elk geval, maar tot de enkels afbreken vind ik ook niks. Ik heb dat wel een beetje gehad, Het is nogal gemakkelijk om met kapotmaken als stip op de horizon in te zoomen op enkele uiterlijke kenmerken, opvallende eigenschappen, onhandig optreden en uitspraken die net verkeerd vielen. Uiteindelijk leidt het af van je eigen verhaal. Hoewel, het kan natuurlijk ook zijn dat je helemaal geen eigen verhaal hebt.

Prikken

De man met de zwarte pet en de winterjas en de bril schuifelde langzaam naar het scherm op de console. Ik had daar net ook voor gestaan. Ik moest een kort keuzemenu door – ik vond het niet echt logisch – en aan het einde van de rit mijn geboortedatum, -maand en -jaar intikken. Ik had uit de console een bonnetje met een nummer gekregen en nu zat ik te wachten op de plingplong en het op de schermen opduiken van het nummer op mijn bonnetje en het nummer van de kamer waar ik naartoe zou moeten. De man met de zwarte pet was inmiddels ook begonnen met zijn vingers vakjes op het scherm aan te tikken. Hij nam de tijd om te lezen wat er hem op het scherm aan tekst werd aangeboden. Hij hield een kaart voor een kaartlezer, daarna een formulier met een barcode en constateerde dat dat allemaal nergens toe leidde. Lichte vertwijfeling maakte zich zichtbaar van hem meester. Het was een beetje vallen en opstaan, het proces waar hij doorheen ging. Maar, na enig proberen en falen raakte hij toch op het laatste scherm, na het invullen waarvan de console als beloning zijn bon met een nummertje zou vrijgeven. Ik zag dat hij niet begreep wat hij moest invullen. Het werd tijd hem te hulp te schieten. Had ik er te lang mee gewacht? Had ik lang genoeg gewacht? Je wilt per slot van rekening niet de indruk wekken dat je te snel denkt dat iemand een helpende hand wel kan waarderen. Of gewoon niet zonder kan. Ik stond op. U moet nu uw geboortedatum, -maand en -jaar invullen, zei ik. En ja, daar klonk mijn plingplong. Ik aarzelde en zei nog maar snel even: ……. (zie hierboven) invullen. Je, de lezer, begrijpt wat ik bedoel. Toen ik het kamertje binnenstapte dacht ik: Die is chagerijnig. En die moet mij zo meteen prikken. Ik zal niet zeggen dat ze het met opzet deed maar de prik was een echte prik. Ze zei ook niet: Nu gaat ie erin. Nou word ik tegenwoordig niet meer warm of koud van zo’n prik – dat was vroeger wel anders – maar ik dacht wel: Dit ben ik beter gewend. Even later was het voorbij. Inmiddels was ik wel nieuwsgierig geworden. Dat chagrijn, waar kwam dat vandaan? En, vroeg ik, heeft u nog een lange dag voor de boeg. Ze keek op. Ze leek me verrast door mijn vraag. En toen brak er een vage lach door op haar gezicht. Zeker, zei ze. Toen ik door de wachtruimte terugliep naar de uitgang van de kliniek klonk de plingplong van de man met de zwarte pet. Naast hem zat een veel jongere vrouw. Die was net te laat geweest om haar vader te helpen? Er zijn dingen die je nooit zult weten. Tenzij je vragen stelt. Daar kun je ook te ver mee gaan, dacht ik. Thuis wachtte het ontbijt, met koffie! Prioriteiten, prioriteiten.

Knippen

Ik las van de week ergens dat veel mensen helemaal geen zin hebben om te praten. Bij de kapper. Ik ben een van die mensen. Het kan mij bij de kapper in principe niet stil genoeg zijn. Het liefst sluit ik mijn ogen en laat ik het gewoon gebeuren. Soms, heel soms, is er een klik met de regisseur van schaar, kam en scheermes. Dan is praten en luisteren iets terloops en daarmee ook iets vanzelfsprekends.. Het kan er zijn maar ook niet. Het voelt als de wind, die aanwakkert en weer luwt, als eb en vloed die komen en gaan. Sinds we weer in Venray wonen voelde ik mij zeer ontheemd, qua kapper. Ik was de weg kwijt in de wereld van het knippen na zo’n jaar of veertien kapster C. in Meerssen. Wat was ik daar bij haar in goede handen. In Venray werd ik een zwerfklant. Allemachtig, wat werd ik ze ongelooflijk zat, al die babbelzuchtige wellness-godinnen en die ene wellness-god die oeverloos leegliepen over, ja, waarover eigenlijk? Laten we zeggen: Over alles. Vooral over wat ze zoal bezighield en waarvan ze dachten dat ik daar ook mee bezig was en dat ik wilde weten wat ze daarover dachten. Nee dus. Ik dacht vaak: Verbouw je huis en vertel me er niks over. Ga op vakantie maar vertel mij niet waar en wanneer. Ga trouwen maar vertel me niet hoe je jurk er uitziet en hoeveel lagen de bruidstaart heeft. En vraag me niet of ik al vakantieplannen heb, hoe ik over het weer denk, of ik niet aan een kleurspoelinkje toe ben. Niet terwijl je mijn haar knipt. Dan wil ik zen kunnen zijn. Maar, nu heb ik dan toch eindelijk weer een kapper gevonden – een kapster trouwens – die in dik tien minuten mijn hele hoofd rond gaat. Ik hoef qua praten helemaal niks en toch is de knipbeurt een aangename séance. Uiteindelijk komt alles weer goed.

Bedoeling

De kleinste is meestal het meest aanwezig. Hij moet ook opboksen tegen alleen maar groter spul dat hem weliswaar ruimte geeft maar toch boven hem uit blijft steken, meer weet en meer kan. Hij gaat graag zijn eigen weg, ontsnapt graag aan de aandacht. We waren zaterdag in Discovery in Kerkrade – een aanrader voor alle nieuwsgierigen tussen vijf en 100+ – waar we een groot deel van de tijd bezig waren met de kleine ontdekkingsreiziger in beeld te houden. Het beroerde was dat hij geen voorkeur voor een bepaald doel had. Er was niets wat hem zo fascineerde dat je ervan uit kon gaan dat je hem daar wel weer terug zou vinden. Hoewel, zijn moeder. Uiteindelijk raakten we hem niet kwijt. Zo nu en dan zei hij: Dat vind ik leuk. Onderaan de streep: hij is heel duidelijk over zijn standpunten. Vorige week was zijn vader bezig aan de straatkant van het huis een hek te plaatsen. We gingen het werk bewonderen. We spraken met de vader en de moeder over de nu toegenomen veiligheid, vooral die van die kleinste die te pas en te onpas de straat opzocht. Het ontging de kleinste niet. Hij ging ook nog eens kijken bij het net geplaatste hek. Hij nam het resultaat even in zich op, kwam half rennend terug en sprak: Hee, nu kan ik niet meer naar voren, dat is niet de bedoeling.

Belangrijk

Terwijl we een warmloopwijntje dronken, hagelde het nog even. We waren terug van een wandeling en hadden op televee daarna nog naar de finish van Luik-Bastenaken-Luik gekeken. Dadelijk zouden we wat gaan eten. En een tweede wijntje drinken. Het echte wijntje na dat warmloopwijntje thuis. Het lange weekeinde in Zuid-Limburg was bijna voorbij. We hadden regen, wind, kou en we hadden op de valreep nog wat hagel, dus. We gingen naar Discovery in Kerkrade. De kleinkinderen waren er uren zoet. De kinderen ook want die kleintjes zijn voortdurend zoek of bijna zoek. We deden spelletjes. We wandelden van Heijenrath naar Teuven, naar Slenaken en weer naar Heijenrath. Onze oude knoken en spieren van dienst hadden het er lastig mee. We zijn het heuvel op heuvel af ontwend geraakt. En nu zijn ze allemaal weer naar huis en zitten wij hier nog een avond de baas te spelen over de afstandsbediening. Die was de afgelopen dagen vooral in handen van de kleinkinderen. Paw Patrol, dat werk. Ze konden ook nauwelijks naar buiten: regen en kou, ik zei het al. Maar goed, het zit er op, het was gezellig, we zijn weer eens allemaal zonder aanleiding bij elkaar geweest. Dat wordt eigenlijk steeds belangrijker.

Pannenkoekenrestaurant

Er waren nogal wat kinderen die zich tijdens het verblijf in het Zuid-Limburgse pannenkoekenhuis niet steeds helemaal op hun gemak voelden. Ze vulden overtuigend de nog beschikbare geluidsruimte in onze oude oren met gehuil en varianten daarop. Teringherrie komt nog het dichtst in de buurt van wat het was. Want pannenkoekenhuizen mogen dan van oorsprong staan voor oergezelligheid zonder weerga, nostalgisch gedesigned met inzet van eikenhouten balken en schoonmetselwerk, waar uiteenlopende generaties in pais en vree met elkaar de zoete dis genieten, in de praktijk van alledag zijn het panden waar vooral duivelse herrie huist – in Berg en Dal bij Nijmegen ligt er derhalve een op de Duivelsberg. Bovendien zijn de oogjes er veel groter dan de maagjes. Peuters, kleuters en iets oudere jonge kinderen komen er aan het einde van de dag sowieso moe van alle prikkels van het gezinsuitje binnen en de suiker van de pannenkoek Smulfestijn en het ijsje na doet er vervolgens nog een schep onrust bovenop. Daarna breekt de pleuris pas echt uit. Nietemin zijn er tafeltjes waaraan koppeltjes zonder kinderen zich de kinderlekkernijen onverstoorbaar laten smaken. Ik kan me niet voorstellen dat je je geheel vrijwillig aan de sfeer in een pannenkoekenrestaurant overlevert. Wij waren er vanavond omdat we met ons gezin iets leuks – vooral voor de kleintjes – wilden doen en daar hoort dan samen eten zonder veel voorbereiding bij. En we wilden per se iets anders dan friet en pizza. Tja, en dan worden het pannenkoeken. Dus. Je hebt wat over voor een plezierig gezin.